De begeleiding van minderjarige patiënten

Onderstaande informatie is gebaseerd op de geldende wetgeving, de rechtsleer en de deontologische code. Het feit dat we deze informatie publiceren is geen standpuntinname, maar vloeit voort uit de wens van de Psychologencommissie om psychologen te informeren over de voor hen relevante regelgeving. De gegeven informatie is bovendien niet te beschouwen als een bindend advies of een advies op maat. De toepassing ervan valt steeds onder de verantwoordelijkheid van de psycholoog zelf die zijn afweging maakt in functie van de specifieke situatie. 

Gebruikte afkortingen: WPR = Wet op de Patiëntenrechten; DC = Deontologische Code; BW = Burgerlijke Wetboek

Inleiding

“Een vader vraagt om zijn 13-jarige zoon te begeleiden voor verlatingsangst. Hoewel ik inschat dat de jongen gebaat is met psychologische opvolging, wil de moeder niet dat ik de begeleiding opstart. Kan ik deze begeleiding toch aanvatten?”

“De 15-jarige Els komt aankloppen met zware depressieve klachten. Ze vraagt om hulp maar wil niet dat haar ouders worden ingelicht. Moet ik rekening houden met de wensen van Els of schend ik zo de rechten van haar ouders?”

Indien u met minderjarigen werkt, is de kans groot dat u weleens een gelijkaardige situatie tegenkomt. Conflicten tussen ouders onderling of tussen ouders en kind kunnen de kwestie bovendien nog verder bemoeilijken. Het antwoord op dergelijke vragen is daarom soms allesbehalve eenvoudig. U moet niet alleen oog hebben voor de rechten van de ouders, u dient ook voldoende aandacht te schenken aan de rechten, de wensen en de zorgnood van de minderjarige zelf. Het belang van de minderjarige moet bovendien steeds het uitgangspunt zijn in de beslissingen die u neemt (art. 4 DC).

In wat volgt schetsen wij een richtinggevend kader dat u op weg helpt bij het zoeken naar een geschikte oplossing. Het belangrijkste vertrekpunt is daarbij de wilsbekwaamheid van de minderjarige. Bij niet-wilsbekwame minderjarigen speelt bovendien de uitoefening van het ouderlijk gezag een essentiële rol.

 Is het niet duidelijk wat wilsbekwaamheid betekent? 

>> klik hier voor meer informatie over wilsbekwaamheid

Weet u niet dadelijk wat precies onder het ouderlijk gezag valt?

>> klik hier voor meer informatie over het ouderlijk gezag

Inhoud van deze tekst

 

De begeleiding van een niet-wilsbekwame minderjarige

Algemene principes

  • De toestemming voor de begeleiding

Bij een wilsonbekwame minderjarige kunt u de opvolging alleen opstarten na de geïnformeerde toestemming van de ouders 1. Neemt een wilsonbekwame minderjarige zonder zijn ouders het initiatief tot behandeling en wil hij hen daarover niet inlichten? Dan kunt u niet ingaan op zijn vraag.

Is de minderjarige nog niet wilsbekwaam, maar kan hij in zekere mate wel al een mening vormen en communiceren? Dan kunnen zijn ouders niet langer alleen beslissen, maar wel in samenspraak met de minderjarige. U vraagt dan de geïnformeerde toestemming van de ouders en u betrekt hierbij de minderjarige zo veel mogelijk, in lijn met zijn maturiteit en leeftijd (art. 12 WPR, art. 23§4 DC).

  • Het recht op informatie

De ouders oefenen het recht op informatie (art. 7 WPR) uit in de plaats van hun kind en ontvangen dus alle informatie die nodig is om zicht te krijgen op:

  • De gezondheidstoestand van de minderjarige
  • De vermoedelijke evolutie van de gezondheidstoestand van de minderjarige

Zij hebben deze informatie nodig om hun ouderlijke taken tot een goed einde te brengen en op een weloverwogen manier beslissingen te nemen. Wanneer u de ouders informeert, dient u zich wel steeds te beperken tot de informatie die voor hun ouderlijke taak noodzakelijk is2. Ook niet-wilsbekwame minderjarigen hebben immers een recht op privacy (art. 16 Kinderrechtenverdrag). Dit betekent dat u niet in detail mag uitweiden over de inhoud van de gesprekken indien dit niet ter zake doet. Het gaat dus om need-to-know, niet nice-to-know.

Een niet-wilsbekwame minderjarige die wel reeds een mening kan vormen en uiten, dient u zoveel mogelijk te betrekken in de informatieverstrekking3. Evalueer in functie van zijn leeftijd en maturiteit tot op welke hoogte de jongere kan worden geïnformeerd en vooral op welke manier. Zo kan het aangewezen zijn om de informatieverstrekking over te laten aan de ouders omdat zij hun kind nu eenmaal het beste kennen. Indien de ouders echter nood hebben aan ondersteuning kunnen jullie dit ook gezamenlijk aanpakken of kunt u de infoverstrekking volledig zelf doen. 

 

Wat als slechts één van beide ouders zich met de minderjarige aanmeldt?

Wij krijgen regelmatig de vraag of u voor de opstart van een behandeling proactief de toestemming van beide ouders moet vragen, als u slechts contact heeft met één van hen. Het antwoord op deze vraag hangt af van de wijze waarop het ouderlijk gezag wordt uitgeoefend:

  • Beide ouders dragen het ouderlijk gezag

Zijn er aanwijzingen voor onenigheid?

U moet zich steeds informeren over de eventuele conflictueuze context waarin er u om advies wordt gevraagd (artikel 15 DC). Wanneer er daarbij geen aanwijzingen zijn voor onenigheid tussen de ouders, kunt u er in principe van uitgaan dat de ene ouder handelt met de toestemming van de ander en bent u niet verplicht om de toestemming van de andere ouder actief te bevragen. Volgens artikel 373 van het Burgerlijk Wetboek dient elke ouder immers steeds te handelen met de toestemming van de andere wanneer hij, alleen, beroep doet op een derde ter goeder trouw bij het uitoefenen van zijn ouderlijk gezag . Als psycholoog kunt u beschouwd worden als zo’n ‘derde ter goeder trouw’ indien u niet op de hoogte bent van een onenigheid over de toestemming of wanneer u niet verondersteld wordt daarvan op de hoogte te zijn4. Het feit dat de ouders niet meer samenleven is in principe niet voldoende om uit te gaan van een vermoeden van onenigheid. Wanneer de ouders samenleven, krijgt het vermoeden van instemming wel een groter gewicht5. Het staat u uiteraard vrij om de toestemming expliciet te bevragen, zeker indien het gaat om een ingrijpende behandeling van de minderjarige die niet dringend is.

Wanneer er wel een vermoeden is van onenigheid of indien u als psycholoog verondersteld wordt daarvan op de hoogte te zijn, bent u verplicht actief de instemming te vragen van de andere ouder vóór u verder gaat met de begeleiding. Indien u dit niet zou doen, kunt u niet langer beschouwd worden als een derde ter goeder trouw en is er dus geen sprake meer van een vermoeden van instemming.  De toestemming van de andere ouder kunt u zowel schriftelijk als mondeling vragen. Bij zware conflicten kan het aangewezen zijn om een schriftelijke bevestiging te bekomen en toe te voegen aan het patiëntendossier.

Wat indien de andere ouder niet akkoord gaat met de begeleiding?

Het is belangrijk dat u investeert in de toestemming en het vertrouwen van beide ouders6. Door de hulpvraag te herformuleren of door een gesprek met alle partijen aan te gaan, kunt u soms tot een gezamenlijk akkoord komen. Door alle standpunten en meningen in rekening te brengen voorkomt u ook dat u wordt gepercipieerd als de ‘advocaat’ van één van de ouders. Bij conflictueuze echtscheidingen vindt de weigering tot instemming immers vaak zijn oorsprong in de vrees dat u partij zal kiezen. De ouder in kwestie wil voorkomen dat uw tussenkomst invloed heeft op de verblijfsregeling of op zijn recht op contact met het kind. Neem in dergelijk gevallen de tijd om zorgvuldig uw rol en het doel  van uw tussenkomst toe te lichten. Dit kan de ongerustheid en het wantrouwen doen afnemen.

Indien dergelijke interventies geen uitweg bieden en de andere ouder blijft weigeren, kunt u de hulpverlening niet opstarten of verderzetten. In dat geval kunt u de ouders en minderjarige best doorverwijzen naar andere vormen van hulpverlening7: bijvoorbeeld het Vertrouwenscentrum Kindermishandeling of het Jongeren Advies Centrum (JAC). Daarom is het dan ook belangrijk dat u investeert in de ontwikkeling van uw netwerk.  

Indien doorverwijzing evenmin aanvaard wordt, kan de ene ouder die toch de hulpverlening wil opstarten zijn vraag richten tot de familierechter (art. 373, 4e lid BW; art. 374 §1, 2e lid BW). Geeft deze rechter zijn expliciete toestemming? Dan mag u alsnog de begeleiding opstarten. U wacht dan wel best tot u deze toestemming schriftelijk hebt ontvangen.

  • Slechts één van de ouders draagt het ouderlijk gezag over de opstart van de behandeling

Vraagt de ouder met exclusief ouderlijk gezag om een begeleiding? Dan kunt u deze opstarten zonder het akkoord van de ouder zonder ouderlijk gezag. Wees er u wel van bewust dat deze laatste het recht behoudt op informatie om zo toezicht te kunnen houden op de opvoeding van het kind (art. 347 §1, 4e lid BW). Indien de ouder zonder ouderlijk gezag daarom vraagt, licht u hem dus in over uw tussenkomst waarbij u zich uiteraard beperkt tot de noodzakelijke en relevante informatie.

Als de ouder zonder ouderlijk gezag u vraagt om de opstart van een begeleiding, kunt u hier niet op ingaan zonder de toestemming van de ouder met ouderlijk gezag.

  • De andere ouder is ontzet uit het ouderlijk gezag

Een persoon die volledig ontzet is uit het ouderlijk gezag verliest alle ouderlijke rechten en dus ook het recht om in te stemmen met een behandeling. U mag hem overigens geen informatie verstrekken over de begeleiding.

Terug

 

De begeleiding van een wilsbekwame minderjarige

Het algemene principe

De wilsbekwame minderjarige patiënt kan volgens de Wet Patiëntenrechten zijn rechten op een autonome en zelfstandige wijze uitoefenen (art. 12§2 WPR). Hiertoe behoort dus ook zijn recht om op een geïnformeerde wijze in te stemmen met het opstarten van een behandeling (art. 8 WPR). De toestemming van de ouders is dus niet nodig om de begeleiding op te starten. De minderjarige heeft bovendien het recht om uw tussenkomst te weigeren of zijn toestemming op een later moment in te trekken (art. 8 WPR;  art. 23§1 en §4 DC).

Wil de minderjarige niet dat zijn ouders op de hoogte worden gebracht van de begeleiding? Dan moet u dit respecteren. Wel kunt u met hem bespreken waarom hij er zijn ouders niet bij wil betrekken. En indien dit wenselijk is, kunt u eventueel binnen de sessies toewerken naar een akkoord van de minderjarige om de ouders in te lichten.  

 

De ouders weten dat u hun kind opvolgt en vragen om informatie over zijn gezondheidstoestand. Kunt u dit zomaar geven?

Een wilsbekwame jongere kan zijn recht op informatie volledig zelfstandig uitoefenen. Het beroepsgeheim is dan ook onverminderd van toepassing. Dit betekent dat u niets aan de ouders kunt meedelen zonder de toestemming van de minderjarige8.

Indien u dit nodig acht in het kader van de begeleiding, kunt u het informeren van de ouders uiteraard expliciet bespreken met de minderjarige. Misschien gaat de jongere tot op zekere hoogte akkoord met het betrekken van de ouders. U kunt hier ook naartoe werken tijdens de begeleiding indien u dit wenselijk acht.

Deze principes zijn evenzeer van toepassing op het patiëntendossier. Vooraleer de ouders het patiëntendossier kunnen inzien dient de minderjarige hiervoor expliciet zijn toestemming te geven en zijn ouders aan te duiden als vertrouwenspersonen9. Hiertoe dient de minderjarige u een schriftelijk verzoek te bezorgen, dat u samen met de identiteit van de vertrouwenspersonen ook opneemt in het patiëntendossier (zie artikel 9 WPR). Vervolgens kunnen de ouders, als vertrouwenspersonen, inzage krijgen tot die informatie waarvoor de minderjarige hen toestemming heeft gegeven.

Terug

 

Conclusie

Het opstarten van een begeleiding bij een minderjarige kan verschillende vragen en moeilijkheden met zich meebrengen en vraagt daarom de nodige voorzichtigheid en aandacht. Het komt immers regelmatig voor dat u te maken krijgt met een complexe of zelfs conflictueuze familiale context. Dan dient u een delicaat evenwicht te zoeken tussen verschillende noden, waaronder voornamelijk:

  • De noodzaak dat een minderjarige de zorg krijgt die hij nodig heeft en kan spreken in een neutrale en veilige omgeving.
  • De verplichting om de ouders de nodige informatie geven zodat zij hun ouderlijke taken op een goede manier kunnen uitoefenen.

Wanneer deze behoeftes tegenover elkaar komen te staan, kan dit leiden tot ethische dilemma’s: bijvoorbeeld wanneer u het noodzakelijk vindt dat een minderjarige in nood de gepaste zorgen krijgt, maar u de behandeling moet weigeren omdat beide ouders niet overeenkomen en het kind niet wilsbekwaam is. Het is niet altijd makkelijk, laat staan duidelijk hoe u hiermee moet omgaan.

Deze situaties vragen daarom ook een weloverwogen ethisch reflectieproces geënt op een grondige kennis van het wettelijk kader en van uw deontologische verplichtingen, met het belang van de minderjarige als uitgangspunt. Het is normaal dat dit reflectieproces ook heel wat onzekerheid met zich meebrengt. Zo is het bijvoorbeeld niet duidelijk hoeveel tijd u mag nemen om de wilsbekwaamheid van een minderjarige in te schatten. Vraag daarom ook ondersteuning aan uw collega’s wanneer u daar nood aan hebt.  

Terug

 

Referenties

1 Lemmens, C. (2013). De minderjarige en de Wet Patiëntenrechten. Antwerpen: Intersentia,  p. 40

2 Lemmens, C. (2013). De minderjarige en de Wet Patiëntenrechten. Antwerpen: Intersentia,  p. 27, 93

3 Lemmens, C. (2013). De minderjarige en de Wet Patiëntenrechten. Antwerpen: Intersentia,  p. 33

4 Lemmens, C. (2013). De minderjarige en de Wet Patiëntenrechten. Antwerpen: Intersentia,  p. 43

5 Lemmens, C. (2013). De minderjarige en de Wet Patiëntenrechten. Antwerpen: Intersentia,  p. 45-46

6 Korevaar, K. (2014). Van hulpverlener tot advocaat: deontologische vragen in echtscheidingssituaties. Tijdschrift Klinische Psychologie, 43/2, 96-108.

7 Korevaar, K. (2014). Van hulpverlener tot advocaat: deontologische vragen in echtscheidingssituaties. Tijdschrift Klinische Psychologie, 43/2, 96-108.

8 Van Der Straete, I., & Put, J. (2005). Beroepsgeheim en hulpverlening. Brugge: Die Keure, p. 103; Lemmens, C. (2013). De minderjarige en de Wet Patiëntenrechten. Antwerpen: Intersentia,  p. 93-94

9 Lemmens, C. (2013). De minderjarige en de Wet Patiëntenrechten. Antwerpen: Intersentia,  p. 92

Terug


 
Deel deze pagina