Artikel 33§1 van de gecoördineerde wet betreffende de gezondheidszorgberoepen

Sinds de officiële erkenning van de klinische psychologie als gezondheidszorgberoep moeten klinisch psychologen met een aantal bijkomende bepalingen rekening houden. Zo vallen ze voortaan onder de Wet op de Patiëntenrechten, maar vinden we ook een aantal bijkomende rechten en plichten terug in de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 op de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen (WUG).

Artikel 33 WUG heeft betrekking op het delen van informatie onder beoefenaars van een gezondheidszorgberoep en creëert een kader voor de uitwisseling van gegevens. Het gaat hier om een wettelijke uitzondering op het beroepsgeheim die soms ook een verplichting tot informatieoverdracht met zich meebrengt.

Is deze uitzondering van toepassing op uw situatie? In dat geval hoeft u niet nog eens alle voorwaarden in artikel 14 van de deontologische code van psychologen te overlopen. Deze voorwaarden komen wel grotendeels overeen. Artikel 33 WUG is op bepaalde vlakken echter minder strikt dan artikel 14 van de deontologische code.

Inhoud

    Wat staat in het wetsartikel?

    Art. 33. § 1, eerste lid. Elke beoefenaar bedoeld in de artikelen 3, § 1 (= artsen), 4 (= tandartsen) , 6 (= apothekers), 63 (= vroedvrouwen), 68/1 (= klinische psychologen) en 68/2 (= klinisch orthopedagogen) is gehouden, op verzoek of met akkoord van de patiënt, aan een ander behandelend beoefenaar door de patiënt aangeduid om hetzij de diagnose, hetzij de behandeling voort te zetten of te vervolledigen, alle nuttige of noodzakelijke hem betreffende inlichtingen van geneeskundige of farmaceutische aard mede te delen*.

    *Noot. Op het moment dat artikel 33 in het leven is geroepen, waren klinisch psychologen en klinisch orthopedagogen nog niet erkend als beoefenaars van een gezondheidzorgberoep. Zij zijn pas later aan deze lijst toegevoegd via de wet van 4 april 2014 tot regeling van de geestelijke gezondheidszorgberoepen en tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen

    Artikel 33 betreft enkel inlichtingen van geneeskundige of farmaceutische aard. Gezien klinisch psychologen uitdrukkelijk worden vernoemd in artikel 33, moet ervan worden uitgegaan dat dit artikel eveneens betrekking heeft op alle nuttige en noodzakelijke inlichtingen van psychologische aard.

    Welke mogelijke situaties worden door dit artikel behandeld?

    Een patiënt heeft de vrijheid om zijn behandeling of diagnosestelling te laten verderzetten of vervolledigen bij een andere zorgverlener die hem opvolgt. Indien de patiënt hierom vraagt, bent u verplicht om aan die professional alle informatie door te geven die in dit kader nuttig of noodzakelijk is.

    Het uitwisselen van informatie hoeft niet noodzakelijk op initiatief van de patiënt. Wanneer u inschat dat het inschakelen van een ander behandelend professional aangewezen of noodzakelijk is om de diagnosestelling of behandeling voort te zetten of te vervolledigen (vb. de huisarts of de psychiater van de patiënt), kan uiteraard aan de patiënt worden voorgesteld om in dit kader informatie te gaan uitwisselen. Geeft hij hiervoor zijn akkoord? Dan vindt artikel 33 ook zijn toepassing en kunt u alle nuttige of noodzakelijke informatie doorgeven.

    Tot slot is het mogelijk dat een ander behandelend professional rechtstreeks informatie bij u opvraagt met oog op het voortzetten of vervolledigen van de behandeling of diagnosestelling. Indien de patiënt hiermee akkoord gaat, bent u verplicht alle informatie door te geven die hiervoor nuttig of noodzakelijk is.

    Gaat het om een verplichting of een mogelijkheid om informatie door te geven?

    Wanneer de hierboven beschreven situaties zich voordoen, stelt het artikel expliciet dat u gehouden bent om informatie door te geven aan de andere beroepsbeoefenaar. Het gaat dus wel degelijk om een verplichting en niet louter om een mogelijkheid[1].

    Akkoord of verzoek van de patiënt: mondeling of schriftelijk?

    Artikel 33 specifieert niet of de patiënt zijn vraag of toestemming schriftelijk of mondeling moet geven[2]. Het is ook niet duidelijk of het om een impliciet of expliciet geformuleerde vraag of toestemming moet gaan.

    Bij gebrek aan een duidelijk antwoord, verwijzen we naar de bespreking van de tweede voorwaarde van het gedeeld beroepsgeheim voor enkele aanknopingspunten die u verder op weg kunnen helpen (zie onderstaande kader).

    Toestemming van de patiënt – extract uit onze toelichting bij deze voorwaarde in het kader van het gedeeld beroepsgeheim.

    Klik hier voor het volledige artikel over het gedeeld beroepsgeheim.

    Hoewel deze voorwaarde niet altijd wordt nageleefd doorheen de rechtsleer[3], stelt de deontologische code dat toestemming van de cliënt een vereiste is om gegevens te mogen delen. Hieruit volgt ook dat u geen informatie mag uitwisselen wanneer uw cliënt aangeeft dat hij niet akkoord gaat  met een gedeelte van of met de gehele informatie-uitwisseling[4].

    De code is anderzijds minder duidelijk over de manier waarop u deze toestemming in eerste  instantie moet bevragen en bekomen:

    • expliciet of impliciet?
    • éénmalig of herhaaldelijk?

    Een expliciet of een impliciet akkoord?

    VOORBEELD

    EEN IMPLICIET AKKOORD. U deelt mee aan de cliënt dat u informatie zal doorgeven aan de huisarts. De cliënt reageert hier niet op. Hieruit leidt u af dat hij zijn toestemming geeft voor de uitwisseling van informatie.

    EEN EXPLICIET AKKOORD. U legt uit dat u informatie wil doorgeven aan de huisarts en u vraagt expliciet aan de cliënt of hij hiermee akkoord gaat. De cliënt antwoordt hierop bevestigend.

    Noch de code, noch de rechtsleer spreekt zich hier op een eenduidige manier over uit. Volgens I. Van der Straete en J. Put is een afwezigheid van verzet in principe voldoende om gegevens te delen[5] (een impliciet akkoord). Anderen gaan daar niet mee akkoord en stellen dat u die toestemming actief en uitdrukkelijk toestemming aan de cliënt moet vragen. Deze bevestigt hij vervolgens mondeling of schriftelijk* (een expliciet akkoord). 

    Omdat er geen duidelijke regel bestaat, beslist u in principe zelf op welke manier u te werk gaat, maar uiteraard steeds onder uw eigen verantwoordelijkheid en in functie van uw specifieke werksituatie en cliënt. Houd er in dit kader rekening mee dat een expliciete toestemming steeds duidelijker is dan een impliciete, eens te meer indien deze toestemming schriftelijk wordt bevestigd. Wanneer u werkt met een schriftelijke toestemming voegt u deze toe aan het patiëntendossier. Dit kan een houvast bieden indien er later een discussie ontstaat over het delen van informatie. Wanneer u daarentegen uitgaat van een impliciete toestemming die u afleidt uit een afwezigheid van verzet, is de kans op meningsverschillen en misverstanden groter. 

    *Een schriftelijke toestemming kunt u bijvoorbeeld in de praktijk brengen door te werken met een onthaalbrochure  waarin u de gegevensdeling die u voor ogen hebt toelicht. Overloop deze met de cliënt om na te gaan of hij alles goed heeft begrepen. U kunt deze zelfs voor akkoord laten ondertekenen. Met bepaalde cliënten of in bepaalde contexten kan het echter moeilijk of zelfs niet aangewezen zijn om met een schriftelijke toestemming te werken.

    Een eenmalig akkoord of te herhalen bij elke gegevensdeling?

    In principe volstaat een eenmalig akkoord bij aanvang van uw tussenkomst, toch voor zover de gegevensuitwisseling uiteraard kadert binnen de afspraken die op voorhand werden gemaakt over:

    • de categorieën van personen waarmee u zal uitwisselen,
    • de inhoud van de gegevensoverdracht,
    • het doel van de gegevensoverdracht.

    Om misverstanden en vertrouwensbreuken te vermijden vraagt u daarentegen best opnieuw de toestemming van zodra u, op eender welk moment in de begeleiding:

    • twijfelt of de overdracht nog wel binnen die afspraken kadert,
    • detecteert dat de overdracht van bepaalde informatie gevoelig kan liggen bij de cliënt,

    Wanneer u tot een informatieoverdracht overgaat die duidelijk niet kadert binnen de vooraf gemaakte afspraken, is het aangewezen om voorafgaand aan deze uitwisseling opnieuw de toestemming van de cliënt na te gaan.

    De uitwisseling van informatie: tussen welke beroepsbeoefenaars?

    Het artikel stelt niet duidelijk op wie de uitwisseling van informatie betrekking heeft[6]. De volgende drie opties zijn mogelijk:

    1. enkel tussen personen van eenzelfde zorgberoep (opgesomd in het artikel). Een klinisch psycholoog wisselt in dit geval enkel uit met een andere klinisch psycholoog.
    2. zowel tussen personen van eenzelfde zorgberoep (opgesomd in het artikel) als tussen personen van verschillende zorgberoepen (opgesomd in het artikel). Een klinisch psycholoog kan dus zowel met andere klinisch psychologen uitwisselen, als met artsen, tandartsen, apothekers, vroedvrouwen en klinisch orthopedagogen.
    3. zowel tussen personen van eenzelfde zorgberoep (opgesomd in het artikel), tussen personen van verschillende zorgberoepen (opgesomd in het artikel) als met beroepsbeoefenaars die niet in het artikel worden opgesomd (bijvoorbeeld kinesitherapeuten, verpleegkundigen).

    Hoewel we hierover weinig zekerheid hebben, veronderstellen dat het gaat om de tweede mogelijkheid. Dit betekent dat dit artikel dus zowel betrekking heeft op informatie-uitwisselingen tussen klinisch psychologen onderling, als met artsen, tandartsen, apothekers, vroedvrouwen en klinisch orthopedagogen. Voor het uitwisselen van informatie met andere zorgactoren, dient u zich te beroepen op andere uitzonderingen (vb. het gedeeld beroepsgeheim).

    Aandachtpunt! De persoon waarmee u uitwisselt moet altijd een behandelend beroepsbeoefenaar zijn. Dit betekent dat de patiënt en deze beroepsbeoefenaar al een behandelrelatie hebben opgestart of beiden ermee akkoord gaan een behandelrelatie te zullen opstarten.  

    CASUS. Rekening houdend met het toestandsbeeld van uw patiënt, schat u in dat deze best ook door een psychiater wordt opgevolgd. U bespreekt dit met de patiënt en hij gaat hiermee akkoord. Hij zou dit graag doen bij de psychiater die binnen uw groepspraktijk werkt. Uw collega heeft ruimte om de opvolging op zich te nemen en een afspraak wordt ingepland. Met akkoord van de patiënt bezorgt u de psychiater informatie over de begeleiding die belangrijk  is voor de medicamenteuze opvolging. Op deze manier heeft de psychiater de nodige informatie om de begeleiding vlot op te starten.

    Welke informatie wordt doorgegeven?

    Alle informatie die nuttig of noodzakelijk is om de behandeling of diagnose voort te zetten of te vervolledigen.

    Merk op dat dit ruimer is dan het gedeeld beroepsgeheim in onze deontologische code. De deontologische code spreekt enkel over noodzakelijke informatie (need-to-know vs. nice-to-know), terwijl in het kader van artikel 33 WUG ook alle nuttige informatie moet worden doorgegeven. 

    Echter, vanaf wanneer kan een informatie als nuttig dan wel noodzakelijk worden bestempeld? Dit is een onderscheid dat niet makkelijk te maken is in de praktijk. Het is vooral belangrijk dat u afweegt welke informatie nodig is om een goede en continue zorg te verlenen in het belang van de patiënt. Alles wat in deze context niet relevant is, geeft u niet door.

    Op welke manier moet deze informatie worden overgedragen?

    Artikel 33 bepaalt niet op welke manier u informatie moet overdragen: is het nu schriftelijk of mondeling, elektronisch of op papier, via (onderdelen van) het patiëntendossier of via een verslag?

    Welke manier het meest gepast is, hangt af van de specifieke situatie. U vertrekt hierbij vanuit het belang van de patiënt en de continuïteit van zorg. Bij twijfel gaat u best in overleg met de patiënt en/of met de andere beroepsbeoefenaar. Vergeet ook niet dat de doorgeven informatie minstens nuttig moet zijn voor de diagnose en/of de behandeling. Niet-relevante informatie mag u niet doorgeven. Artikel 33 vereist dan ook zelden een kopie van het volledige dossier[7].

    TIP. Stelt u een verslag of een verwijsbrieven op? Voeg deze ook toe aan het patiëntendossier.

    Referenties

    [1] Van der Straete, I., & Put, J.(2005). Beroepsgeheim en hulpverlening. Brugge: Die Keure, p.229; Blockx, F. (2013). Beroepsgeheim. Antwerpen: Intersentia, p.330; Nys, H., & Vanermen, E. (2017). Juridische aspecten van samenwerking in de zorg. Cortexs. P. 15. Geraadpleegd van http://www.nvkvv.be/page?orl=1&ssn=&lng=1&pge=2&nws=1691). 

    [2] Nys, H., & Vanermen, E. (2017). Juridische aspecten van samenwerking in de zorg. Cortexs. P. 15. Geraadpleegd van http://www.nvkvv.be/page?orl=1&ssn=&lng=1&pge=2&nws=1691). 

    [3] Hausman, J.-M. (2016). Droits et obligations du patient et du psychologue clinicien. In Hausman, J.-M., & Schamps, G. (dir.).  Aspects juridiques et déontologiques de l’activité de psychologue clinicien. Bruylant : Bruxelles, p. 229-230.

    [4] Moreau, T., (2013). Chapitre XXV - La violation du secret professionnel. In Bosly, H.D., & De Valkeneer, C., (eds.). Les infractions. Volume V. Les infractions contre l’ordre public. Bruxelles : Larcier, p. 716; Van der Straete, I., & Put, J. (2005) Beroepsgeheim en hulpverlening. Brugge: Die Keure, p. 220.

    [5] Van der Straete, I. en Put, J. (2004). Het gedeeld beroepsgeheim en het gezamenlijk beroepsgeheim – Halve smart of dubbelleed? Rechtskundig Weekblad, 68 (2), p. 53-54.

    [6] Nys, H., & Vanermen, E. (2017). Juridische aspecten van samenwerking in de zorg. Cortexs. P. 15. Geraadpleegd van http://www.nvkvv.be/page?orl=1&ssn=&lng=1&pge=2&nws=1691.

    [7] Vansweevelt, T. (2014). Hoofdstuk VI - Rechten met betrekking tot het patiëntendossier. In Vansweevelt, T., & Dewallens, F., (eds.). Handboek Gezondheidsrecht. Volume II. Rechten van patiënten: van embryo tot lijk. Antwerpen: Intersentia 2014, p. 543.


     
    Deel deze pagina